Home Stichting Agenda Actueel Kunstenaars Collectie Contact

Robert G. Leckie

Een schilderij van Jacques van Mourik,

via Texas, terug uit Canada


Begin april 2018 ontvangt Ietje Pinckers bericht van de Canadees Robert B. (Bob) Leckie (geboren in Canada, 1948), nu wonende te Texas. Hij komt met een opmerkelijk verhaal…

 

Het verhaal van Bob Leckie over zijn vader Robert Garnet Leckie (1913-1995), diende tijdens de Tweede Wereldoorlog onder meer in Nederland. Hij was luitenant in dienst van de  Royal Canadian Army en in september 1944 tot april-mei 1945 was hij als ‘sound ranger’ (= geluidmeter) ingedeeld bij de Canadian  Artillery (= geschutsonderdeel van een leger ter bescherming van de infanterie (= soldaten te voet in  de frontlinie). Met een troepenschip was hij naar Engeland gevaren. Daarna vloog hij over de Atlantische Oceaan en terug naar Noord-Afrika. Hij vervolgde zijn reis naar Italië en langs Rome verder noordwaarts. Hij bevond zich tussen de allereerste geallieerde troepen in Orvieto (ten noorden van Rome) en maakte er later grapjes over, dat hij persoonlijk “Orvieto had bevrijd”. Na D-Day (6 juni 1944) kwam hij weer naar Engeland en van daar naar Nederland. Al gauw naderde hij hier Nijmegen – en het zelfportret van Van Mourik. Hij was toen 31 jaar oud

De vondst


In de voorjaarsweken van 1945 deed luitenant Leckie in zijn functie van ‘sound ranger’  in het ‘niemandsland‘ zijn werk. Hij nam geluid op met 4 microfoons die verbonden waren met een “4-pen chart recorder” (= grafiek-weergever), een registreertoestel met 4 pennen.

Dit was in de Tweede Wereldoorlog een technologische methode. Als er vijandelijk geschut afging stelde de vertraging  van het geluid tussen de microfoons de geluidmeter in staat, de locatie van dat vijandelijke geschut te berekenen. Daarna probeerde de eigen artillerie dat geschut uit te schakelen.  


Omdat hij zich vooraan bij de gevechtsgrenzen bevond, was luitenant Robert G. Leckie vaak tussen de eerste soldaten die een plaats bereikten waar de Duitsers zich hadden teruggetrokken. Van nature en vanwege zijn functie beschikte hij over een uitzonderlijk geografisch geheugen. Hij schreef over een “Duitse uitgegraven schuilplaats vlak achter een 8 cm. mortierpositie aan de weg naar Gennep ten zuiden van  de “2ML ‘Papenweg’ Basis “  tegenover het Reichswald”. (en plakte dat papiertje waarschijnlijk achterop het schilderij). In die geul vond hij een schilderij van een oude man met een pijp, olieverf op hout. Hij wikkelde het in een lap en bond het vast aan de zijkant van zijn jeep.


Toen de oorlog voorbij was stuurde hij het schilderij per schip naar zijn vader in Winnipeg, Manitoba (midden Canada). Toen de vader van Bob Leckie zelf uit Europa terugkwam bij zijn vrouw in Montreal (zuid-oost Canada) stuurde zijn vader het schilderij naar hem door. Het hing vanaf die tijd in het huis van de ouders van Bob Leckie. Pas toen zijn moeder op 98-jarige leeftijd bij haar dochter in Californië ging wonen, gaf zij het schilderij door aan zoon Bob om het veilig te bewaren.


Zelfportret?


Tot voor kort wist Bob niets van het briefje achterop het schilderij. Hij kan het niet meer aan zijn vader vragen, deze overleed in 1995. Het feit dat zijn vader “Papenweg”  tussen aanhalingstekens zette en dat: “2ML” er aan  vooraf gaat, doet Bob denken, dat dit een code was van een Duitse legerbasis, genaamd “Papenweg”. De “2ML” is een raadsel. Hij hoopt dat het iets zou kunnen betekenen voor iemand die het Duitse leger begrijpt. Misschien staat  “M” voor gemotoriseerd?  Was er eerder in de oorlog een  Duitse basis in die omgeving?   


Misschien betekende het : 2e Mortier-Linie vanaf de “Papen -bergse- weg”, of “Papen -dalse- weg”?  

Op het uiterste puntje van de Biesselt, bij de Papenberg (’t Rammetje) en de Biesseltse Baan,  staat /stond een ‘Papenbeuk’ als grensscheiding tussen Mook en Groesbeek. Aan de andere kant van die grens staat/stond de ‘Scheidtbeuk’ langs de Mookse Baan. Deze Baan liep in het verlengde van de Biesseltse Baan bovenin het Zevendal, ten noorden van de watermolen.

(papen = scheldnaam voor katholieken. ‘Papenweg’ was een aanduiding dat katholieken indertijd gebruik maakten van die weg om elders –waar dit niet verboden was - aan hun godsdienstplechtigheden deel te nemen. Een stukje bos in eigendom van de katholieke kerk werd ‘Papenbosje’ genoemd).


Zoals dat soms gaat had al die jaren niemand enig idee wie de schilder zou zijn, of wiens portret  erop staat afgebeeld. Zelf kan de familie de handtekening niet goed lezen. Nu gaat Bob Leckie ermee naar een expert die vaststelt dat het werd geschilderd door Van Mourik en dat het mogelijk een zelfportret was. Het is 55 cm. lang met een variabele breedte van ongeveer 48,9 cm tot 49,4 cm. Na enig internet speurwerk komt Bob terecht bij de website van de Stichting Jacques van Mourik in Mook. Hij neemt contact op met mevrouw Pinckers- van Roosmalen, stuurt een foto van het schilderij mee en vraagt of zij meer informatie zou kunnen geven.


Ietje stuurt vanzelfsprekend een bedankje en ze biedt aan iets meer te vertellen over de kunstenaar. Jacques van Mourik was een schilder, geboren in Amsterdam in 1879 en overleden in Plasmolen in 1971. Hij was de eerste [kunstenaar] die in Plasmolen kwam wonen. Hier was in die tijd een prachtige natuur, de Jansberg en omgeving. Misschien vindt Bob het leuk als ze hem een korte biografie stuurt?

Zelf heeft ze ook een paar vragen:”Hoe kwam dat schilderij in Texas terecht? Zij weet dat een zoon van de kunstenaar Niehorster naar Texas emigreerde, maar ze verloor het contact met hem. Was hij misschien een bekende van Bob  of zijn familie?”. Bob Leckie antwoordt, dat hij al iets weet van de biografie van Jacques van Mourik – hij heeft de website van de Stichting Jacques van Mourik gelezen.


Zo kwam er een uitgebreide e-mailwisseling tot stand waarvan dit verhaal een weergave is.


Gevechten in het grensgebied


Voor en rond Nijmegen werd in de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog hevig gevochten. Er waren veel Canadese slachtoffers en ook Duitse dacht Bob Leckie en alle burgers die klem zaten tussen de gevechten liepen groot gevaar. Bob vertelt van een beroemde Canadese dichter, Earle Birney (1904-1995) die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Canadese leger was; hij schreef een gedicht genoemd:  “The Road to Nijmegen”. (‘De weg naar Nijmegen’). Zoals met veel gedichten, is het nodig de Engelse taal heel goed te kennen om er iets zinnigs van te maken – maar Bob zal het naar Ietje sturen voor de documentatie.


In het voorjaar van 1945 trok het Canadese  legeronderdeel vanuit Grave en Nijmegen naar Mook – Gennep om die weg vrij te maken en daarna Duitsland in te trekken. Juist in het grensgebied van het Reichswald hadden de Duitsers zware defensieve troepen gelegerd. Het werden hevige gevechten. waarbij in Mook en Middelaar bijna geen steen op de andere bleef.


Verborgen mijnen vormden voor de geallieerde troepen een extra gevaar en de alom aanwezige  modder maakte het er niet gemakkelijker op. Verhalen van ooggetuigen vermelden ieder voor zich, dat het vanaf de jaarwisseling flink had gevroren, maar dat begin februari de dooi inviel en wegen welhaast onbegaanbaar werden. Later traden ook nog de rivieren Maas en Waal buiten hun oevers. Ondanks alle narigheid zetten de Canadezen hun offensief van Nijmegen naar Kleef en in de omgeving Reichswald- Plasmolen voort. In het prachtige natuurgebied rond de Jansberg in Plasmolen werden alle bomen vernield, geen enkele boom stond meer overeind. Er waren alleen nog verbrande bomen, langs de hele grens tot aan Venlo toe bleek later!  


Bob weet dat Plasmolen/Middelaar werd vernietigd: zijn vader vertelde hem dat de hele aarde wel vernietigd leek. Alles was modder en dood en verwoesting. Robert Garnet Leckie stond ervan te kijken toen hij een jaar later (in 1946) in datzelfde gebied rondreisde en ontdekte, dat de natuur zich had hersteld en er bijna geen teken van de gevechten meer te zien was. Natuurlijk vertelde hij dit over het land, niet van de gebouwen en de bruggen.  


Ietje wil  het gedicht van Earle Birney, ‘The Road to Nijmegen’, graag eens lezen. De plaats waar Robert G. Leckie gedurende de oorlog was, heet Nijmegen, of in het Duits Nimwegen. De “Papenweg” zou Papendalseweg kunnen zijn.

Ietje vertelt  dat in september 1944 de inwoners van Mook en Middelaar voor het oorlogsgeweld moesten vluchten en met hen de kunstenaars in Plasmolen. Alles moesten ze achterlaten en voor degenen die te voet (!) naar Groningen of Friesland (zoals Jacques van Mourik en zijn dochter Itie) trokken moet het een barre tocht geweest zijn. Van de schilderijen die zij bij hun thuiskomst in april 1945 terugvonden, dreven er veel in de meertjes van Plasmolen rond.

Het is hetzelfde verhaal van alle oorlogen overal ter wereld, zoals ook vandaag de dag nog.


Ze zegt, dat Mook en Middelaar en omgeving tegenwoordig een welvarend gebied is. Dankzij al die soldaten die zo jong stierven. Voor de Canadese erebegraafplaats [bij Groesbeek] wordt heel goed gezorgd. Elk jaar klinkt op 4 mei het geluid van de ‘Last Post’ en is er een plechtige ceremonie. Tot op de dag van vandaag zijn daar altijd veel mensen bij aanwezig.

De dorpen werden weer opgebouwd met ‘Marshall hulp’ en boeren uit heel Nederland hebben koeien, varkens en paarden geschonken uit hun eigen vee.


Canada


Bob Leckie vraagt zich af, of iedereen de speciale relatie kent die in de 20ste eeuw tussen Nederland en Canada is gegroeid. Hij vertelt, dat de toekomstige koningin Beatrix in 1940 met haar moeder, kroonprinses Juliana, en haar zus Irene naar Ottawa kwam.  Zolang de oorlog duurde verbleef het koninklijke gezin in Ottawa. De tweede zus van Beatrix, prinses Margriet, kwam bijna in Canada ter wereld.  Zij werd [in 1943] geboren in een ziekenhuiskamer in het ‘Ottawa Civic  Hospital’ (Stads ziekenhuis van Ottawa). De koninklijke familie wenste destijds echter geen familielid met een buitenlands staatsburgerschap, zelfs geen tweeledig staatsburgerschap. Dus vaardigde de Canadese Federale Regering een verklaring uit, dat de ziekenhuiskamer geen deel van Canada was – en zo verkreeg prinses Margriet geen tweeledig Nederlands/Canadees staatsburgerschap - alleen het Nederlandse.


Later in de oorlog kreeg het Canadese leger de taak om via Nederland Duitsland binnen te vechten. Dit versterkte de band tussen de twee landen. De Canadese begraafplaats bij Nijmegen getuigt ervan, dat veel Canadezen hun leven gaven bij de poging Nederlanders te bevrijden.


Na de oorlog emigreerden veel Nederlanders naar Canada.

Als een gebaar van dank voor de gastvrijheid aan de koninklijke familie, gaf de Nederlandse regering aan de stad Ottawa in 1945 (en namens Juliana nog eens in 1946 ten behoeve van het ziekenhuis)  een groot aantal tulpenbollen (100.000 ?). Tot vandaag de dag is er vanaf 1953 een zeer groot tulpenfestival in Ottawa (meer dan 1000.000 bollen) dat 650.000 toeristen trekt. De tulp is nu het symbool van vriendschap en vrede.


Herinneringen


Al het praten over het schilderij, de oorlog en Holland heeft voor  Bob Leckie herinneringen teruggebracht.

Hij vertelt dat zijn vader, Robert Garnet  Leckie [geboren in 1913], als vrijwilliger ingeschreven werd bij de Royal Canadian Army (het Koninklijke Canadese Leger). Tijdens zijn opleiding tot soldaat trouwde hij [ca. 1937] met Doris Josephine Bedford. Zij is nu [in 2018] 101 jaar oud. Ze hadden een lang en gelukkig huwelijk. De vader van Bob zei wel eens voor de grap, dat de manier waarop het begon het geheim ervan was: Doris bezocht zijn legerbasis één keer per maand gedurende het weekend. Robert G. had één keer per maand een weekend verlof en bracht dat door bij zijn vrouw in Montreal. Volgens hem is je huwelijk voorbestemd succesvol te zijn, als je een jaar of zo je vrouw slechts twee keer per maand ziet en je dan het land verlaat en haar een aantal jaren helemaal niet ziet.


Een herinnering van zijn vader: hij sliep in een boerenschuur en vond wat maïskorrels. Canadezen vinden maïs lekker, dus warmde hij een paar op voor het avondeten. De Nederlandse boer was geamuseerd en vroeg verbaasd: “Waarom eet jij dierenvoer?”


Een herinnering van Bob: ik veronderstel dat het doorbrengen in die oorlog tussen onze (= geallieerde) grenzen en de Duitse mijn vader de hele tijd uitzonderlijk bewust maakte van zijn locatie. En hij had een scherp geheugen voor aardrijkskunde. Toch was ik verrast over de laatste gedachtegang van zijn verhaal, die hij pas ongeveer twaalf tot veertien jaar na de oorlog vertelde: ik was met mijn vader aan het skiën en we ontmoetten een heer met een Nederlandse vlag op zijn revers. “Waar komt u vandaan?”, vroeg mijn vader. De man  noemde een plaats in Holland en mijn vader begon de stad te bespreken. Het werd duidelijk dat mijn vader de stad beter kende dan deze man, dus zei de man: “Ik kom niet echt uit die stad. Dat zei ik alleen omdat niemand heeft gehoord van het kleine dorp waar ik echt vandaan kom. Mijn vader begon over het dorp te praten, waardoor de man moest toegeven: “Ik kom niet echt uit het dorp – ik groeide op op een boerderij een aantal kilometers vanaf dat dorp.” “Welke kant uit?” “Naar het oosten.”  Mijn vader  zei: “Dus, je vertrekt uit het dorp over een vlakke weg maar na een aantal kilometers draait deze naar links en gaat hij een kleine brug over. Als je verder door naar boven gaat is er aan de andere kant op een heuvel links een kerk.”  De verraste man zei: “Dat is de kerk waar ik als jongen naar toe ging!” Mijn vader zei: “Ik bracht een nacht door in de kelder van die kerk. “


In 1969 (hij was 21 jaar) bezocht Bob Amsterdam. Hij kwam met een koffer, maar veel jonge Amerikanen en Canadezen reisden rond met rugzakken. Bob vond het wel leuk duidelijk te herkennen Amerikanen te ontmoeten die door Holland reisden met Canadese vlaggen op hun rugzakken. Misschien was het bekend dat Canadezen in die tijd een speciale plaats hadden in de Nederlandse harten. Of misschien wilden de jonge Amerikanen niet over Vietnam praten?


Exposities


Ietje kan aan Bob meedelen dat de Stichting Jacques van Mourik juist deze zomer een expositie heeft met veel werk van Van Mourik zelf en dat er in het gemeentehuis van Mook nog andere zelfportretten van hem te zien zijn. Hij maakte deze in elke fase van zijn leven. Bij een volgende rondleiding zal Ietje nu ook het opmerkelijke verhaal van Bob Leckie vertellen.


Intussen heeft Ietje met de andere bestuursleden van Stichting Jacques van Mourik besproken hoe Bob en zijn vrouw het beste kunnen worden ontvangen als zij naar Mook toe komen. Iedereen is enthousiast over zijn verhaal  en het schilderij van Jacques van Mourik, dus men dacht dat het goed zou zijn de directeur van ‘Het Bevrijdingsmuseum’  [in Groesbeek] dat verhaal  te vertellen (Het Bevrijdingsmuseum  is een museum dat zich bezighoudt met de bevrijding van dit deel van het land door o.a. Canadese soldaten).


Ietje schrijft: “Uw vader was een van de mannen  die ons bevrijdden. Zijn verhaal is dus voor ons hoogst interessant. Daarom wil ik u vragen: zou uw moeder het op prijs stellen als dit museum uw schilderij van Jacques van Mourik exposeert met het hele verhaal over hoe het via uw vader in Canada terechtkwam en daarna in Texas en nu weer terug zal komen in deze regio? Het Bevrijdingsmuseum is van plan in het voorjaar van 2019 een tentoonstelling te organiseren over kunstwerken  die door de oorlog verloren gingen. Dit schilderij en hoe zorgvuldig u het in uw familie bewaarde, is een verbazingwekkend object voor dit doel. Wilt u alstublieft zeggen, of uw moeder en u dit zelfportret van Jacques van Mourik willen tentoonstellen?


Bob Leckie kan Ietje blij maken met de mededeling, dat zijn moeder het schilderij aan de Stichting wil schenken. Daarna is het aan Stichting Jacques van Mourik zelf te bepalen waar het het beste tentoongesteld kan worden. Zijn moeder en haar kinderen zullen het erg waarderen als het schilderij onderdeel wordt van een tentoonstelling over in de oorlog verloren gegane kunst, of in een van de bevrijding door Canadezen, zoals zijn vader destijds, of welke andere toepasselijke tentoonstelling dan ook. Begin september 2018 komt hij met zijn vrouw naar Nederland om het schilderij persoonlijk aan te bieden.


Zelfportret terug in Mook en Middelaar


Vanaf eind augustus zullen zij bij hun dochter in Londen zijn in verband met de geboorte van haar eerste kind, hun kleinkind. Op 4, 5 en 6 september kunnen ze in Mook zijn. Wellicht reizen zij met de trein [door de Kanaaltunnel Folkstone-Calais (in Frankrijk) ] en daarna per auto naar Mook. Ze denken dan ongeveer vijf uren onderweg te zijn. Ietje stelt voor dat zij per vliegtuig naar Schiphol reizen en dan verder met de trein naar Nijmegen en Molenhoek, waar zij hen kan komen ophalen. Zij biedt aan dat het echtpaar Leckie in die dagen bij haar te gast kan zijn. Dat vinden zij een eer. Het kan zijn, dat Bob het schilderij eerst per schip naar zijn dochter in Londen stuurt, maar in het vliegtuig kan hij het bij zich houden. Hij brengt het nu naar een galerie om het voor de reis op de juiste wijze te laten inpakken.


Bronnen/literatuur

- E-mailwisseling tussen Ietje Pinckers en  Bob Leckie. (april-mei 2018)

- Pastoor Janssen (dagboek), Oorlog over Mook (1944-1945)

- Jan Labro, Ad Smijers,  Gerrit Thijssen (samenst.), In Swaeren Noodt

  (uitgegeven door Stichting   Heemkundekring De Grenssteen, 1994)

- Huub Spruijt in Rond De Grenssteen nr. 1 (1987)

- Earle Birney, “The Road to Nijmegen” (1944/1945)





Overhandiging van het schilderij ‘The old man with the pipe’

5 september 2018



Deel van een Interview van R.G. Leckie door R.B. Leckie

6 & 7 februari 1986


R.G.L.: We gingen van Calais en Boulogne[sur-Mer] waar we waren … Calais was op 30 september [1944] eindelijk echt veroverd en Boulogne op 22 september. Wij  waren noordelijk van Boulogne op de dag dat de R.A.F. [= Royal Air Force] het bombardeerde en toen het tenslotte … Dus op een bepaalde tijd na september werden we overgeplaatst naar [een plek] net tussen Nijmegen en Arnhem. We bleven daar, op verschillende plaatsen rond Nijmegen, [er waren] diverse geluidsmetingen te verrichten, totdat … het Ardennenoffensief [in december 1944]  inbegrepen, na Kerstmis waren de Canadezen door het Ardennenoffensief sterk uitgedund terwijl ze zich naar beneden verplaatsten om te proberen een noordelijke helling te verschaffen ingeval die aanval een stukje verder gegaan was.

Toen verder … van Nijmegen kwamen we terecht op de westelijke oever van de Rijn – Kleve, de wegkruisingen [van] Matterborn (?)[ Materborn was een dorpje dat ongeveer 2 km. ten zuidwesten van het stadscentrum van Kleef lag. In februari 1945 vond in deze omgeving de zogenoemde ‘Slag in het Reichswald’ plaats. Hier ligt nu het grootste oorlogskerkhof van Duitsland, “Reichswald Forest War Cemetry”. Venlo, naar de Roer, naar Essen en Duisburg. Maar toen zaten we gedurende een aanzienlijke periode vast op de westelijke Rijnoever en ik herinner me dat ik met Frank Slaughnessey was, een vriend uit Montreal die op de dag [van] de aanval op de Rijn een tijdje werkte als ‘Intelligence Officer’

[= Officier van de Inlichtingendienst] bij de 2e Divisie .Van waar wij toen stonden, zagen we het neerlaten van de “paratroops” [valschermtroepen] aan de overkant van de Rijn. En van daar, op die tijd in Duitsland zijnde, trokken de Canadese Divisies door Holland / Nederland naar voren – we gingen terug Holland in en we reden, zoals [eerder], ten noorden van Arnhem naar … recht door diverse plaatsen … tenslotte door naar het noorden van Holland tot Groningen toe. En heel spoedig daarna eindigde de oorlog.


Nu hadden we een aantal ontwikkelingen. Veel behoorlijk heftige gelegenheden. Veel beschietingen, bombardementen, veel mortiervuur. Bij de aanval uit …  misschien is het de laatste werkelijke overwinning … de dag dat ik mijn beroemde souvenir vond, het schilderij van de oude man dat boven onze open haard hangt, we waren vooruit getrokken uit Nijmegen en we heroverden deze grond waar we een aantal maanden naar gekeken hadden. En ik ging er op uit voor de gewone plicht van de geluidmeter-officier om te proberen te verkennen wat vijandelijk gebied geweest was en te zien  “kun jij enige mortier-activiteiten vinden, waar je zei dat ze waren (toen je daar niet kon komen)”.  En op deze locatie vond ik nog een echt aanwezige mortier van de Duitsers in een wapenkuil [loopgraafgat] naast een [boeren-]schuurgebouw waaronder de Duitsers een compleet soort kelder hadden uitgegraven – waar ze leefden, in een soort grote kuil als schuilplaats.

De oude man was geschilderd op triplex [“plywood”= uit twee of meer lagen bestaand hout], zonder de lijst – hij was daar binnen vastgespijkerd, op een soort deur. Ik trok hem er af, niet zo verstandig misschien, omdat hij ondermijnd zou kunnen zijn geweest, of “booby-trapped”,  voorzien van  een trucbom, maar hoe dan ook, [ik] trok hem er af, zette hem naast de schuur –geen slecht uitziend schilderij … gevonden … [ik] trof maatregelen, je kent deze Duitse mortier, ik was met iemand, een sergeant of iemand en ik, … (of mijn chauffeur, in die fase had ik meestal regelmatig een chauffeur), … ik tilde die Duitse mortier in [de auto], om hem, vooral met morele bedoelingen mee terug te brengen – de spanning verhogen, zeggen: “Hé jongens, jullie lokaliseerden een mortier – hier is hij dan. Ik bracht hem voor jullie mee!”

 

Net toen ik wegliep en in de jeep stapte, kwam de zon te voorschijn en die scheen recht op het schilderij van de oude man. Ik zei: “Hé, dat is wel een goed uitziend schilderij. Dat zou een goed souvenir kunnen zijn”. Dus klom ik terug door die loopgraaf, nam het ding mee – gewoon een stuk triplex – en dit was, zo ongeveer in het midden van, of eind februari [1945] – en ik nam het mee in mijn jeep – ik zette het gewoonlijk tegen de muur wáár ik dan ook sliep – ik rolde mijn slaapzak gewoon uit op de vloer, dat vond ik gemakkelijker dan ‘rond te rommelen’ (“frigging around”) met bed-dingen – en [ik] nam de oude man met me mee waar ik ook sliep tot de oorlog voorbij was en ik tenslotte (van een of ander hulpcentrum of zoiets) een jutezak kreeg en [het schilderij] omwikkelde en het naar huis stuurde naar je moeder”.


R.B.L.: Wat wed je? Wat denk je ervan? Werd het geschilderd door een Duitse soldaat, of was het iets wat zij ergens in een huis vonden?


R.G.L.: Wel, bij die terugtocht door Holland namen de Duitsers allerlei buit en van alles en nog wat mee. Het is mogelijk dat in die tijd de Duitsers bezig waren met een soort, je weet wel, ten tweede … Het is mogelijk dat een of andere kunstenaar werd aangewezen (gedwongen) te ondertekenen. En ik heb altijd gedacht dat het misschien een schilderij van hem was [gemaakt] door iemand, dat de een of andere Duitser ergens had gestolen. Maar ik was nooit … wel, ik ben nooit op enig werkelijk onderzoek uit gegaan. Ik heb nooit een speciale catalogus met de naam van de kunstenaar kunnen vinden, welke lijkt te zijn  Morek of Monek of zoiets. Behalve het feit dat het een werkelijk bijzonder portret is met een denkbeeldige achtergrond en de tekening, het perspectief niet helemaal goed lijkt te zijn – desondanks trekt het je aandacht naar het gezicht van de oude man – is het altijd een geliefd oorlogsouvenir geweest.




Earle Birney (1904-1995), The Road to Nijmegen (1944/1945)


(Vertaling: Anky Wolters- van der Werff,  juli 2018)


De weg naar Nijmegen


December, mijn schat, op de weg naar Nijmegen,

tussen de stenen en de sombere luchten was jouw gezicht.


Eerst alleen een opeenhoping van graven

langs de lange kanalen, elk met een bevroren

pannetje /kampketeltje als ‘zegen’; de skeletten van tanks

naast de ingeslagen bruggen; oude mannen in de motregen

uitstekende splinters uit een brede straat van [boom-]stronken;

of vrouwen rijdend tegen de wind in op de velgen van hun  fietsen,

als haveloze zeilboten slingerend over de keien.


Dat eerst en de staken /uitstekende hoeken van huizen, maar meer

de zwermen kinderen, als vliegen, aan de achterkant van barakken,

of zoekend in grint naar brokken steenkool,

hun benen uitstekend als dode stengels uit hun schoenen met houten zolen.

Verkleumd op de lange weg naar verminkt Nijmegen.


Ik dacht dat alleen het leven van anderen ons overtuigt;

wij herinneren ons het zachte en zuivere, zoals geleide-bomen,

zoals de mannen en vrouwen van wie de adem een scherm om ons heen vormt;

opdat wij die nu uitgestrekt liggen in dit graf van de tijd

kunnen herrijzen als Lazarus tot in het licht van goedheid

door een houvast in de handen van het goede.


En zo in de natte sneeuw toen we Nijmegen naderden,

mijn hart zoekend naar de hoop van onze herinneringen,

naar lachen dat eindelijk oprijst boven [het geluid van] de raketten,

zag ik het regenboogantwoord van jou

en jij en je nakomelingen die, de aarde bevolkend

onze niet onmogelijk gedroomde horizon, zouden zuiveren.

en zij, bewegend in de nachtmerrie  Nu,

geven ons, welk krediet we hebben voor onze dagelijkse zonden

voor deze weg die aankomt bij geen toekomst,

voor deze schuld

in het verdriet van de ouderen en de graven van de jongeren.